De nieuwe intersectorale richtlijnen rond vrijheidsbeperkende maatregelen verdienen erkenning. Ze vertrekken niet vanuit controle, maar vanuit menselijke waardigheid, preventie, relatie, participatie en een positief leefklimaat. Ze zoeken actief naar alternatieven en tonen begrip voor de complexiteit van situaties waarin kinderen en jongeren vastlopen en teams onder druk handelen.
Het is een sterke basis. En net daarom moeten we vandaag eerlijk durven kijken naar het grootste risico: de vertaling naar de praktijk.
18/05/2026
De nieuwe intersectorale richtlijnen rond vrijheidsbeperkende maatregelen verdienen erkenning. Ze vertrekken niet vanuit controle, maar vanuit menselijke waardigheid, preventie, relatie, participatie en een positief leefklimaat. Ze zoeken actief naar alternatieven en tonen begrip voor de complexiteit van situaties waarin kinderen en jongeren vastlopen en teams onder druk handelen.
Het is een sterke basis. En net daarom moeten we vandaag eerlijk durven kijken naar het grootste risico: de vertaling naar de praktijk.
Daarbij is het essentieel om ook de stem van jongeren en ouders centraal te zetten. Getuigenissen uit het werkveld tonen waarom dit zo belangrijk is: als we kwaliteitsvolle en effectieve zorg willen bieden, dan is hun ervaring de fundamentele maatstaf. Daar zit een enorme bron van wijsheid. Richtlijnen en organisatorische kaders zijn daarbij geen doel op zich, maar een middel.
Wie de praktijk van de jeugdhulp kent, weet dat richtlijnen alleen niet volstaan. Zeker niet in contexten waar de meest kwetsbare jongeren worden begeleid en waar teams dagelijks onder hoge druk staan.
Vandaag zien we in veel voorzieningen dezelfde uitdagingen terugkomen: personeelstekorten, hoog verloop, structurele onderbezetting en te weinig ruimte voor opleiding, coaching en intervisie. Veel teams werken in een voortdurende crisismodus.
Die realiteit maakt het moeilijk om ervaring op te bouwen in teams en om consequent te werken vanuit een gedeelde visie. En net dat is essentieel: vrijheidsbeperking voorkomen vraagt competentie, rust, samenwerking en continuïteit.
Een getuigenis verwoordt scherp wat er dan gebeurt: wanneer iemand in crisis is, wordt verbinding te vaak vervangen door controle. Controle kan op het eerste gezicht veiligheid bieden, maar vergroot in werkelijkheid vaak de onveiligheid. Het ondermijnt vertrouwen en verhoogt de kans op toekomstige incidenten.
Zonder stevige pedagogische en relationele omkadering dreigt een gevaarlijke verschuiving. Wanneer systemen onder druk staan, grijpen ze sneller naar wat op korte termijn werkt. Dan kunnen afzondering of fixatie – zelfs “met toestemming” – te snel ingezet worden, met reële risico’s op relationele schade.
De richtlijnen leggen terecht de nadruk op dialoog met jongeren en ouders. Maar dialoog ontstaat niet vanzelf. Ze vraagt tijd, vertrouwen en veiligheid.
In teams die voortdurend onder druk staan, dreigt dialoog een formaliteit te worden. Een afvinkmoment in plaats van een betekenisvolle uitwisseling.
Nochtans is precies daar de kern te vinden. Een tweede getuigenis maakt dit helder: de centrale vraag moet altijd zijn “hoe maakt dit het leven van deze persoon beter?”. Dialoog betekent ook dat we verder kijken dan de maatregel zelf, en investeren in een context waarin de nood aan vrijheidsbeperkende maatregelen zo klein mogelijk wordt.
Als we willen dat de richtlijnen echt leven, moeten we teams ondersteunen in:
Zonder die ondersteuning blijft het positief leefklimaat vooral een ambitie op papier, terwijl de praktijk gedomineerd wordt door brandjes blussen.
Een tweede belangrijke uitdaging is de interpretatie van de richtlijnen.
Begrippen zoals autonomie en regie zijn essentieel. Maar in een context van schaarste en druk dreigt hun betekenis te verschuiven. Wat bedoeld is als versterking van de positie van jongeren, kan onbedoeld verengd worden.
Wat we zien in signalen uit het werkveld, is dat:
Daar moeten we waakzaam voor zijn.
Autonomie is nooit: “jij mag instemmen met iets dat eigenlijk voortkomt uit gebrek aan alternatieven.” Autonomie bestaat pas wanneer er keuze, veiligheid, informatie en gelijkwaardigheid is. In situaties met machtsongelijkheid is “toestemming” kwetsbaar, en precies daarom moeten richtlijnen in de praktijk ondersteund worden met reflectie, coaching en toezicht.
Ook hier wijzen getuigenissen op een harde realiteit: richtlijnen bevatten soms praktijken die in het werkveld nauwelijks worden toegepast. Zo geven jongeren aan nog nooit een debriefing of nazorggesprek te hebben meegemaakt na afzondering. Dat toont hoe groot de kloof kan zijn tussen intentie en realiteit.
Een van de meest zorgwekkende signalen vandaag is dat jongeren en ouders nog te weinig betrokken worden in de praktijk.
Niet bij de afweging vooraf.
Niet bij het gesprek achteraf.
En vaak ook niet bij het opstellen van signaleringsplannen of afspraken rond veiligheid.
Dat is een gemiste kans.
Het vergroot de afstand tussen hulpverleners en gezinnen, en verhoogt de kans op wantrouwen. Tegelijk ervaren hulpverleners zelf morele stress wanneer ze niet de zorg kunnen bieden die ze willen bieden.
Daarnaast tonen getuigenissen dat de realiteit soms nog complexer is. Zo kan een gebrek aan beschikbare hulp zelf leiden tot escalatie: een jongere die een vrijwillige opname vraagt maar geen plaats vindt, en pas veel later – na escalatie – via een gedwongen opname hulp krijgt. In die trajecten worden bovendien ook bij vrijwillige opnames vrijheidsbeperkende maatregelen ingezet.
In zo’n context sluipen gewoontes en routines binnen. Vrijheidsbeperkende maatregelen worden dan “de manier waarop we het hier doen”. Terwijl de richtlijnen net willen doorbreken dat dit vanzelfsprekend wordt.
Als we echt willen dat deze richtlijnen het verschil maken, mogen we niet stoppen bij het publiceren ervan. Dan begint het pas.
Voor het Cliëntenforum zijn een aantal randvoorwaarden cruciaal:
De nieuwe richtlijnen zetten belangrijke stappen richting menswaardige zorg. Maar zonder voldoende ondersteuning dreigt de praktijk deze ambitie niet te kunnen dragen. Dan wordt vrijheidsbeperking opnieuw ingezet vanuit noodzaak, in plaats van vanuit een gedragen visie.
De keuze is helder:
laten we teams alleen met een tekst, of maken we van deze richtlijnen een echte intersectorale belofte?
Voor het Cliëntenforum is het antwoord duidelijk.
Kinderen, jongeren, ouders én hulpverleners hebben recht op een praktijk die veiligheid niet zoekt in controle, maar opbouwt via vertrouwen, relatie en echte preventie.