Het tragische ongeval in Buggenhout, waarbij vier mensen het leven verloren tijdens schoolvervoer voor buitengewoon onderwijs, laat niemand onberoerd. Het zet een systeem opnieuw in de schijnwerpers waarvan we al jarenlang weten dat het onder druk staat. Vanuit het Cliëntenforum zijn wij van mening dat de discussie over vervoer niet los kan gezien worden van de bredere vraag hoe we werk maken van inclusief onderwijs als een volwaardige en haalbare optie voor alle gezinnen.
16/06/2026
Het tragische ongeval in Buggenhout, waarbij vier mensen het leven verloren tijdens schoolvervoer voor buitengewoon onderwijs, laat niemand onberoerd. Het zet een systeem opnieuw in de schijnwerpers waarvan we al jarenlang weten dat het onder druk staat.
In het publieke debat verschuift de aandacht naar verantwoordelijkheden, bevoegdheden en budgetten: wie is verantwoordelijk, wie moet het leerlingenvervoer organiseren, en met welke middelen?
Maar wie vandaag luistert naar ouders, jongeren en scholen, hoort een andere realiteit. Via Ouders Voor Inclusie horen we een duidelijke, gedeelde stem bij ouders: het huidige debat gaat te vaak over organisatie en verschuiven van verantwoordelijkheden, terwijl de fundamentele vraag onderbelicht blijft.
Ouders vragen niet in de eerste plaats wie het vervoer beter kan organiseren. Zij stellen een andere vraag, vertrekkend vanuit hun dagelijkse realiteit: waarom moeten hun kinderen nog steeds zo ver van huis naar school? Waarom is een inclusieve school in de eigen buurt voor zoveel gezinnen geen vanzelfsprekende keuze? Waarom moeten kinderen dagelijks lange afstanden afleggen om onderwijs te krijgen dat aansluit bij hun noden?
Ouders vragen dus niet alleen wie het vervoer organiseert. Zij stellen vooral de vraag hoe we ervoor zorgen dat elk kind welkom is op een school dichtbij huis, met de juiste ondersteuning.
Wat zij naar voren schuiven, is de nood aan een ander perspectief: een onderwijssysteem waarin de nood aan busvervoer niet langer het uitgangspunt is, maar net kan wegvallen omdat onderwijs en ondersteuning dichterbij georganiseerd worden.
De discussie over vervoer kan daarom niet los gezien worden van de bredere vraag hoe we werk maken van inclusief onderwijs als een volwaardige en haalbare optie voor alle gezinnen.
Vanuit onze contacten met scholen buitengewoon onderwijs horen we telkens dezelfde signalen: jongeren zitten vaak veel te lang op de bus. Reistijden van een paar uren zijn geen uitzondering.
Dat snijdt diep in hun dagelijkse leven. Jongeren vertrekken ’s ochtends in alle vroegte en komen vaak uitgeput thuis. De impact op motivatie is groot. Sommige jongeren geraken simpelweg niet (meer) op school.
Wat voor velen een praktische organisatievraag lijkt, wordt zo een drempel voor het recht op onderwijs.
Via ouders, onder meer via Gezin en Handicap, horen we hoe deze realiteit ook andere keuzes beïnvloedt. In veel scholen voor buitengewoon onderwijs is er slechts beperkt naschoolse opvang. Ouders geraken daar vaak niet op tijd. Daardoor kiezen ze ervoor hun kind met het busvervoer te laten meegaan, omdat dit hen toelaat hun werk georganiseerd te krijgen. Maar dat is geen volwaardig of waardig alternatief voor opvang.
Tegelijk zorgt het systeem voor een vertekend beeld. Omdat jongeren lange tijd op de bus doorbrengen, ontstaat bij lokale besturen vaak de indruk dat er weinig vraag is naar naschoolse opvang of vrijetijdsaanbod voor deze kinderen en jongeren. In realiteit geven ouders aan dat die vraag er wel degelijk is. Als er kwaliteitsvolle, toegankelijke opvang dichtbij beschikbaar zou zijn, zouden zij sneller zelf vervoer organiseren of andere oplossingen zoeken.
Daarbij komen ook de omstandigheden op het vervoer zelf. Ouders en scholen getuigen over verouderde bussen, zonder airco, waar kinderen soms uren in doorbrengen. Tijdens warme dagen moet men improviseren met handdoekjes of washandjes om wat afkoeling te bieden. Dat zijn situaties die moeilijk te verzoenen zijn met een menswaardige context voor kinderen en jongeren.
Bovendien botst dit op wat kinderen en jongeren net nodig hebben na een lange schooldag. Velen hebben nood aan rust en ontprikkeling, maar komen terecht op een overvolle bus met veel prikkels, lawaai en spanning. Wanneer ze thuiskomen, zijn ze vaak nog niet in staat om meteen deel te nemen aan het gezinsleven, of volgt er nog een ontlading van de opgebouwde spanning en vermoeidheid.
Tegelijk horen we hoe moeilijk het is om busbegeleiders te vinden. De omstandigheden zijn zwaar, de ondersteuning beperkt en de jobstatus weinig aantrekkelijk.
Nochtans zijn busbegeleiders cruciaal. Zij staan letterlijk als eersten aan de deur, bouwen een band op met jongeren, signaleren problemen en zien vaak meer dan wie ook de thuissituatie. Ze kunnen aanklampend werken waar dat nodig is.
Vandaag zien we dat scholen zelf inspringen: leerkrachten die tijdelijk taken als busbegeleider opnemen, bij gebrek aan alternatieven. Dat is niet vol te houden, en het is ook niet hun kernopdracht.
Dat maakt het voor scholen, kinderen, jongeren en ouders bijzonder moeilijk om vertrouwen te behouden in het systeem.
Als we spreken over kwaliteit en veiligheid van leerlingenvervoer, dan hoort ook de professionalisering van deze profielen daarbij: betere arbeidsvoorwaarden, opleiding en ondersteuning. Tegelijk moeten we ons de vraag stellen of, zelfs wanneer deze randvoorwaarden vervuld zijn, de nodige en geschikte profielen effectief beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt. Zo niet, dreigen deze maatregelen hun effect te missen.
Daarnaast horen wij vanuit onze contacten met scholen dat problemen met veiligheid of met roekeloos rijgedrag vaker voorkomen. Scholen geven deze signalen door aan de busmaatschappij in de hoop dat er ingegrepen wordt. Tegelijk horen we dat dezelfde situaties zich soms al dezelfde dag opnieuw voordoen en zich ook op langere termijn blijven herhalen.
Het huidige systeem botst niet alleen op personeelsgrenzen, maar ook op pedagogische grenzen. Vanuit onderwijs horen we dat het leerlingenvervoer vandaag vaak zeer technisch en organisatorisch wordt georganiseerd. Efficiëntie en planning primeren, met opstapplaatsen waar jongeren uit verschillende regio’s samenkomen.
In de praktijk betekent dit dat jongeren met zeer uiteenlopende noden samen op de bus zitten. Een jongere met een beperking, naast een jongere met een ernstige gedrags- of emotionele problematiek, soms met agressie. Die dynamieken spelen zich af op een volle bus, vaak zonder voldoende opgeleid personeel, soms gedurende uren.
Dat is vragen om spanningen. En wanneer het fout loopt, ontstaat een paradox: jongeren kunnen moeilijk van het busvervoer uitgesloten worden omwille van gedrag, want net voor die noden volgen ze onderwijs in het buitengewoon onderwijs.
Bovendien bestaat er vandaag nog een recht op leerlingenvervoer. Tegelijk zien we dat dit recht onder druk staat en, vanuit organisatorische en budgettaire overwegingen, geëvolueerd wordt richting een grotere verantwoordelijkheid bij ouders. Daarbij mogen we ook de rol van ouders niet uit het oog verliezen. Ouders van kinderen die zorgnoden hebben nemen vandaag al een bijzonder grote zorg op. Zij organiseren, ondersteunen en vangen op waar systemen tekortschieten.
We horen vaak dat ouders hun werk aanpassen of zelfs verminderen om de zorg voor hun kind op te nemen, net omdat ondersteuning of vervoer niet (voldoende) gegarandeerd wordt. Wat een tijdelijke oplossing lijkt, wordt vaak een structurele realiteit.
Dat heeft verregaande gevolgen. Niet alleen op korte termijn – in inkomen en draagkracht – maar ook op lange termijn. Ouders worden immers later geconfronteerd met de gevolgen van pensioenhervormingen, waarbij periodes van verminderd werken of zorg opnemen financieel worden doorgerekend.
Met andere woorden: de verschuiving van verantwoordelijkheid naar ouders is geen neutrale keuze. Het betekent dat de kost – in tijd, energie en financiële zekerheid – steeds vaker bij gezinnen zelf wordt gelegd.
Dat is een fundamentele beleidskeuze die we expliciet moeten durven benoemen.
Het systeem botst hier op zijn eigen grenzen.
Vanuit verschillende scholen klinkt één duidelijke vraag: geef scholen meer autonomie om het vervoer zelf te organiseren, afgestemd op hun context en hun leerlingen.
Scholen kennen hun jongeren, hun noden en hun dynamieken. Zij zijn het best geplaatst om mee vorm te geven aan oplossingen. Zo zouden scholen het vervoer kunnen afstemmen op wat nodig is – en niet enkel op wat organisatorisch haalbaar is. Maar daar is opnieuw de voorwaarde dat daar ook middelen tegenover staan.
Tegelijk moeten we eerlijk zijn over de impact van deze piste. Zelfs met meer autonomie en middelen zou dit slechts een gedeeltelijke oplossing zijn. Jongeren zouden nog steeds lange trajecten afleggen en uren op de bus doorbrengen. De impact op motivatie en welbevinden zou blijven bestaan. Ook de spanningen op de bus verdwijnen niet zomaar, zelfs niet met professionele begeleiding.
Met andere woorden: we zouden investeren in een systeem dat beter werkt dan vandaag, maar dat in essentie hetzelfde blijft – en dus ook dezelfde structurele beperkingen behoudt.
Middelen die vandaag niet of onvoldoende beschikbaar zijn, zouden dan ingezet worden voor een oplossing die slechts deels soelaas biedt.
We moeten durven benoemen: zolang we onderwijs gesegregeerd organiseren, blijft de vervoersproblematiek bestaan.
Er wordt jaarlijks ongeveer 140 miljoen euro geïnvesteerd om 45.000 leerlingen ’s morgens op school te krijgen. Zolang jongeren aangewezen blijven op gespecialiseerde scholen ver van huis, blijven we echter investeren in een complex, duur en kwetsbaar vervoerssysteem – of verschuift de verantwoordelijkheid steeds meer naar ouders, met alle gevolgen van dien.
De enige structurele, duurzame en integrale oplossing ligt in een andere richting:
meer inclusief onderwijs, dichter bij huis georganiseerd, met voldoende ondersteuning.
Scholen voor Iedereen zijn daarin geen optie, maar een noodzakelijke stap richting een onderwijssysteem dat in lijn ligt met het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap. Het is dan ook positief dat de Vlaamse Regering expliciet kiest voor een evolutie naar inclusief onderwijs en scholen wil begeleiden om te bouwen aan een leeromgeving die voor álle leerlingen kwaliteitsvol, veilig en toegankelijk is.
Vandaag is die keuzevrijheid er in de praktijk vaak niet. Veel leerlingen en hun ouders kiezen voor buitengewoon onderwijs, niet noodzakelijk omdat dat hun voorkeur is, maar omdat het inclusief onderwijs geen gelijkwaardige optie biedt. Ondersteuning is niet altijd beschikbaar, expertise zit vaak geconcentreerd op afstand, en scholen botsen op grenzen in tijd, middelen en draagkracht.
Maar wat als we het systeem omkeren?
Wat als we de gewone scholen inclusiever maken, in plaats van leerlingen te verplaatsen naar gespecialiseerde settings?
Wat als we daarin systematisch investeren?
Dan creëren we een situatie waarin leerlingen en ouders wél een echte keuze hebben.
Een keuze die niet vertrekt vanuit noodzaak, maar vanuit mogelijkheden.
Een keuze waarbij kinderen gewoon naar school kunnen gaan om de hoek, in hun eigen buurt, samen met leeftijdsgenoten.
Als ondersteuning lokaal beschikbaar is, vermindert de nood aan lange verplaatsingen. Dat betekent niet dat buitengewoon onderwijs verdwijnt, wel dat we het anders organiseren: minder afstand, meer samenwerking, meer gedeelde verantwoordelijkheid tussen gewoon en buitengewoon onderwijs.
Inclusief onderwijs is dus geen losstaand beleidsdoel, maar een hefboom om meerdere knelpunten tegelijk aan te pakken:
niet alleen op vlak van onderwijskansen en gelijke participatie, maar ook op vlak van mobiliteit, draagkracht van gezinnen, hoge werkzaamheidsgraad, en de haalbaarheid van ondersteuningssystemen.
Zolang we die structurele omslag niet maken, blijven we symptomen bestrijden.
We kunnen het vervoer beter organiseren, de begeleiding versterken en de veiligheid verhogen – en dat moeten we ook doen – maar het onderliggende vraagstuk blijft bestaan. En dat is geen louter mobiliteitsvraagstuk. Het is een spiegel van hoe we ons onderwijs en onze zorg organiseren. Het vraagt een debat over nabijheid, inclusie en hoe we het recht op onderwijs vormgeven voor alle kinderen en jongeren.
De echte vraag is dus niet hoe we het leerlingenvervoer optimaliseren, maar welk onderwijssysteem we willen organiseren.